Terug in de tijd

Door: Mandy Verleijsdonk

Op mijn 27e kreeg ik de diagnose ASS. In deze blog beschrijf ik fragmenten van de periode tot en met de basisschoolleeftijd nu ik weet dat ik toen ook al autistisch was. Bij alles wat ik schrijf, kun je twee richtingen op: dit zou kunnen komen door ASS of niet. Je kunt ASS immers niet van de persoon scheiden.

Volgens mijn moeder waren er geen bijzonderheden tijdens de zwangerschap, de geboorte en de eerste jaren van opgroeien. Ik heb naar wat filmpjes zitten kijken en vond geen grote afwijkende dingen. Ik had misschien niet veel gezichtsuitdrukking en lijk soms meer gericht op objecten zoals een ketting of een knuffel dan op mensen.

Wat anderen over mij zeiden

Van mijn crècheperiode heb ik een schriftje. Enkele zinnen van de crècheleidsters:

Voor Mandy is duidelijkheid heel belangrijk.

Ze heeft angst om in een grote groep aan tafel te zitten.

Mandy had er moeite mee om weer te wennen.

Ze wilde niet zeggen wat ze op de boterham wilde.

Ze keek het liever wat aan dan dat ze zelf meedeed.

Drama! Huilen, vingers in de mond en boos kijken. En eten, ho maar.

Ik heb haar doekje weggelegd, anders loopt ze er de hele dag mee.

Mandy laat makkelijk met zich sollen.

Enkele zinnen van mijn moeder in dat schriftje:

De poppen gaan wel tien keer per dag naar bed.

Soms wil ze haar zin doordrijven.

Mandy is ons de laatste tijd aan het heropvoeden, zoals ‘schuif die stoel eens aan.’

Zorgzaam en bokkig

Ik was al vroeg een moedertje en meisjemeisje. Ik droeg graag sieraden en jurkjes. Tijdens de basisschoolperiode zat ik op ballet. Ik hield een plakboek bij van paarden. Ik speelde met poppen en Barbies en deed vader en moedertje, maar mijn zusje bedacht vaak het verhaal. Aankleden en haren kamen deed ik graag. Ik was zorgzaam en ging tijdens de schoolpauze, toen ik wat ouder werd, graag moederen bij de kleuters. Met het kerstspel wilde ik altijd Maria zijn.

In het gezin kon ik goed boos zijn en ruzie maken, zeker toen ik ouder werd. Mijn ouders noemden het ‘bokken’. Ik was daarbuiten erg op ze gesteld en deed niet graag iets buiten de deur zonder hen. Op oma en opa was ik ook erg gesteld. De aandacht die ik kreeg en hun vaste dagstructuur vond ik fijn. Thuis was het drukker. Ik was het tweede kind, na mijn broer. Toen mijn zusje werd geboren, kuste ik haar non-stop (stereotype?). Ik duimde verder en beet nagels.

Zintuigen

Ik was gevoelig en huilde snel. Wat betreft eten, lustte ik dingen in eerste instantie niet. Sferen voelde ik aan. Geluiden, zoals gezang, vond ik doordringend en dan riep ik om stilte. Als mijn broer in de woonkamer tegen een balletje schopte, was ik super geïrriteerd. Ik had geen problemen met knuffelen met mijn ouders. Fysiek gezien waren er geen aparte kenmerken. Wel had ik vaak hoofdpijn en heb ik koortsstuipen gehad, maar verder was ik gezond.

Ordenen en structuur

Ik sliep met mijn zusje op een kamer; lastig omdat ik het altijd netjes wilde hebben en zij niet. Ordenen, zoals potloden op kleur, vond ik prettig. In mijn dagboek maakte ik lijstjes van wat ik gegeten had, zoals op een open dag: ‘Ik had drie keer drinken op en drie koekjes’. Ik hield cadeautjes bij van verjaardagen en Sinterklaas of schreef wat ik gedaan had en met wie, zoals ‘mijn zusje’, zodat mijn dagboek wist over wie ik het had 😉

Verder zocht ik graag houvast buiten mezelf. Bij lego bouwde ik met dezelfde kleur volgens een bouwplan. Vaak verveelde ik me en vroeg ik aan mijn ouders wat ik moest doen. Liever tekende ik iets na, zodat ik niet iets hoefde te verzinnen. Bij verjaardagen hielp ik mee in de keuken om iets te doen te hebben.

Het bekende sprak me aan. Op de crèche ging ik het liefst naar mijn zusje. Op de basisschool vond ik het vreselijk als ik tussen de middag niet thuis kon eten omdat mijn moeder moest werken. Toen ik naar groep drie ging, vond ik het lastig om de kleuterjuf los te laten. Het knuffeltje van mijn zusje, Poepje, was mijn lievelingsknuffel. Ik vond het niet leuk als mijn zusje ging logeren en hem mee nam. Ik keek erg vaak in de spiegel.

Onzeker in de omgang

Op het gebied van taal was ik geen grote verteller en had ik moeite met bepaalde worden. Zo kon ik ‘Lonneke’ niet uitspreken. Soms wist ik geen woorden te vinden ergens voor. Zo moest ik eens de ‘salontafel’ opruimen van mijn moeder. Ik ging naar boven en ruimde mijn ‘kaptafel’ op. Toen ik beneden kwam zei mijn moeder dat ik niet gedaan had wat ze mij gevraagd had. Ik zei niets. Je zou me kunnen omschrijven als een introvert meisje. Door veel te lezen kreeg ik een goede woordenschat.

Op school kon ik goed meekomen. Schrijven en rekenen vond ik fijn. Ik was ijverig, maar had moeite met balsporten en kloklezen en schaamde me daarvoor. Sociaal gezien had ik gedurende de hele basisschool hetzelfde hartsvriendinnetje. Ik ging om met andere meisjes, maar dan was ik onzeker. Jongens vond ik eng. Eens vroeg iemand verkering en heb ik nooit antwoord gegeven (sorry). Ik was niet goed met initiatieven nemen en voelde me serieuzer dan leeftijdgenoten. Ik wilde verder graag leuk en aardig gevonden worden.

Volgens de DSM-5 moeten symptomen aanwezig zijn in de vroege kindertijd, maar komen ze soms pas tot uiting als eisen van de omgeving de draagkracht overstijgen. Ik denk dat ik pas echt de mist in ging, toen ik naar de middelbare school ging; een mooi onderwerp voor een volgende blog.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *